dutch
Log in!

Click here to log in
New account
4 million accounts created!
JOIN our free club and learn for free now!

  • Home
  • Print
  • Guestbook
  • Report a bug


  •  


    Learn Dutch > Dutch lessons and exercises > Dutch test #44138
    > Other Dutch exercises on the same topics: Several tests | Placement tests [Change theme]
    > Similar tests: - Placement test - What do I know? 2 - Placement test: grammar & tenses - Placement test - Intermediate: test I - Action verbs - Mistakes-House - Spelling
    > Double-click on words you don't understand


    Beginners


    Beginners



    Twitter Share
    Dutch exercise "Beginners" created by mariebru with The test builder
    Click here to see the current stats of this Dutch test [Save] [Load] [?]

    Please use the 'Save' button above if you don't have enough time to take this test.

    To insert special letters:

    1. Numbers : write down these numbers.

    17
    5
    25
    33
    54
    77
    92
    48
    66
    81

    2. Tenses : imperfect.

    De auto (stoppen) voor het stoplicht.
    Moeder†(doen) de afwas.
    We (kiezen) een cadeautje.
    De wind (zijn) fris.
    Hij (geven) een boek aan Jan.
    Moeder (bakken) taartjes.
    De kinderen (antwoorden) op onze vraag.
    Ze (wonen) in Brussel.
    We (gaan) naar Oostende.
    Jullie (hebben) vier honden.

    3. Negation : Turn into negative sentences.

    Ik heb een zus.
    Ik ga naar Parijs.
    Ik slaap goed.
    Hij is 40 jaar.
    Ze schrijft de beste roman.

    4. Compound verbs : use the present tense (write down the full sentence).

    Ik (herstellen) mijn auto.
    Je (klaarmaken) het eten.
    Hij (aankloppen) overal.
    Wie (verwachten) u ?
    We (uitlopen) met de hond de tuin.
    (Begrijpen) jullie die les ?
    Ze (ontvangen) de gasten.
    Ik (verknoeien) mijn tekening.
    We (ophalen) jullie thuis.
    We (meenemen) proviand.

    5. Articles†: add the correct article if it is required.

    Thuis drinken we altijd koffie.
    Ik moet een kilo boter kopen.
    Koffie staat op† tafel.
    Wil je boter uit† koelkast nemen ?
    Ik heb geld nodig.

    6. Countries : Add the correct form.

    Frankrijk : Leer je ?
    Nederland : Ik heb een vriendin.
    ItaliŽ : Drink je wijn ?
    Duitsland : Welke taal spreekt men in Duitsland ? natuurlijk.
    BelgiŽ : De zijn vriendelijke mensen.

    7. Diminutive words : find the correct word.

    Mijn broer †wil niet naar bed gaan.
    Die man loopt door de stad.
    Ik heb bomen in de tuin gepland.
    Anne speelt met Jan.
    Neem een aspirine .

    8. Time : hoe laat is het ? What time is it?

    15 h 15
    15 h 30
    17†h 55
    10 h 20
    10 h 35









    End of the free exercise to learn Dutch: Beginners
    A free Dutch exercise to learn Dutch.
    Other Dutch exercises on the same topics : Several tests | Placement tests | All our lessons and exercises