dutch
Loading
Please log in!


Remember me
I've lost my password


200,000 members!
JOIN our free club and learn for free now!

  • Home
  • Print
  • Guestbook
  • Report a bug


  •  

    Learn Dutch > Dutch lessons and exercises > Dutch test #46479
    > Other Dutch exercises on the same topics: Several tests | Placement tests [Change theme]
    > Similar tests: - Placement test - Placement test - Beginners - Beginners: test III
    > Double-click on words you don't understand


    Intermediate: test I


    Intermediate: test I



    Intermediate
    Dutch exercise "Intermediate: test I" created by mariebru with The test builder
    Click here to see the current stats of this Dutch test [Save] [Load] [?]


    To insert Dutch letters with accents, please use the buttons below:



    1. Use the past perfect.

    Sonia woont in Antwerpen.
    De dokter helpt de zieke.
    De apotheker maakt het recept klaar.
    De les begint om 8 uur.
    De lijst ligt op de tafel.

    2. Use a position verb.

    Ze leest een roman.
    Annie kijkt verbaasd.
    Bart slaapt op de bank.
    De was droogt buiten.
    De directeur wachtte hen voor de deur op.

    3. Double infinitive : use the past perfect.

    Ze kan haar droom van deze nacht niet kwijtraken.
    Ik wilde naar Brussel gaan.
    Hij bleef zwijgend liggen.
    Ze wil het raam sluiten.
    Hij staat voor de deur te wachten.

    4. Add the correct preposition.

    Moeder is kwaad haar zoon.
    De vertaling het Nederlands is niet makkelijk.
    Ik luister elke dag de radio.
    Ik denk mijn moeder die ziek is.
    Ze spreken de directeur om inlinchtingen te krijgen.

    5. Write down in letters.

    205
    893
    1.254
    24.270
    545.847

    6. Te + infinitive : Rewrite the full sentence, add 'te'.

    Ze reden door het dorp zonder iemand zien.
    Het doet me plezier je hier terugzien.
    Ik bleef een ogenblik staan nakijken.
    Kijk niet achterom maar probeer liever vooruit kijken.
    Ik begon met belangstelling lezen.

    7. Comparisons

    Twee andere zonen, (oud) dan Peter, waren bezig met de reparatie van het dak.
    Mijn kamer is (klein) dan die van Lea.
    Je hebt het(goed) hart ter wereld.
    Wil je (langzaam) spreken ?
    Je moet (vlug) lopen.

    8. Use pluperfect.

    Moeder (geven) hem geen gelijk.
    We (zijn) blij toen ze naar de universiteit wilde gaan.
    Mijn dochter (trouwen) met een dokter.
    In Brussel (huren) ik dat kamertje.
    Misschien (opmerken) hij niet dat het weer veranderd was.

    9. Subordinate clauses.

    Het dorp hij geboren is ligt niet ver van Mechelen.
    ik de deur uitging, zag ik dat mijn vriend een brief begon te schrijven.
    Hij passeerde een groep van vijf huizen hij gisteravond niet had opgemerkt.
    Ik zie wel je moe bent.
    Sonia was de enige hij zijn aversie voor uniformen had proberen uit te leggen.
    Wil je herhalen je ons hebt verteld ?
    hij kon protesteren, was ze al klaar om mee te gaan.
    Ik weet niet je in dit geval gelijk hebt.
    Ik wil het huisje, op die foto staat, kopen.
    Er komt een dag je zal beseffen hoe wijs oude mensen zijn.
    Zijn stem klonk ernstig hij vroeg naar zijn dochter.
    Ik maak mijn zin niet af er wordt geklopt.
    Het is mij duidelijk die oefening te makkelijk is.
    Dat zijn krantenverslagen je moet lezen.
    Het is tien jaar geleden ik een reis naar Amerika maakte.









    End of the free exercise to learn Dutch: Intermediate: test I
    A free Dutch exercise to learn Dutch.
    Other Dutch exercises on the same topics : Several tests | Placement tests | All our lessons and exercises

    TOP