dutch
Log in!

Click here to log in
New account
4 million accounts created!
JOIN our free club and learn for free now!

  • Home
  • Report a bug


  •  


    Learn Dutch > Dutch lessons and exercises > Dutch test #104090
    > Other Dutch exercises on the same topic: Relative sentences [Change theme]
    > Similar tests: - Relative clauses - Subordinate clauses - Relative pronouns - Relative clauses (2) - Relative pronouns - Relative pronouns - Relative pronouns - Relative sentences (4)
    > Double-click on words you don't understand


    Relative pronouns






    Twitter Share
    Dutch exercise "Relative pronouns" created by mariebru with The test builder. [More lessons & exercises from mariebru]
    Click here to see the current stats of this Dutch test

    Please log in to save your progress.


    1. Door het lawaai begreep de directeur niet zijn bediende wilde zeggen.

    2. Er was veel volk maar ik kon toch plaatsnemen op een stoel nog vrij was.

    3. Gaan wandelen? Dat was precies hij wilde doen.

    4. Hij nam het glaasje voor hem op de tafel stond.

    5. Petra toonde mij het kantoor ze haar brood verdient.

    6. Overal in zijn kamer ligt speelgoed mijn broertje speelt.

    7. Hij kreeg een brief van zijn dochter hem om geld vroeg.

    8. Het lawaai de kinderen op straat maakten, wekte Wim.

    9. Peter viel in een diepe slaap hij één uur later werd gewekt door zijn moeder.

    10. Mijn kamer is bekleed met een behang mooie bloemen staan.









    End of the free exercise to learn Dutch: Relative pronouns
    A free Dutch exercise to learn Dutch.
    Other Dutch exercises on the same topic : Relative sentences | All our lessons and exercises


    Share : Facebook / Google+ / Twitter / ...