dutch
Log in!

Click here to log in
New account
4 million accounts created!
JOIN our free club and learn for free now!

  • Home
  • Report a bug


  •  


    Learn Dutch > Dutch lessons and exercises > Dutch test #48401
    > Other Dutch exercises on the same topic: Placement tests [Change theme]
    > Similar tests: - Placement test - What do I know? 2 - Placement test: grammar & tenses - Placement test - Beginners - Beginners: test III - Intermediate: test I - Action verbs
    > Double-click on words you don't understand


    Intermediate: test II


    Intermediate: test II



    Twitter Share
    Dutch exercise "Intermediate: test II" created by mariebru with The test builder. [More lessons & exercises from mariebru]
    Click here to see the current stats of this Dutch test

    Please log in to save your progress.

    To insert special letters:

    1. Passive voice.

     

    Droogte teistert vaak Afrikaanse landen.
    De lessen hebben Mick's zwemtechniek verbeterd.
    Palen stutten de brug.
    Als het erg glad is, strooit men zout op de wegen.
    De agent betrapte de fietsendief.

    2. Present participle : Use a relative pronoun..

    een lopend kind
    een staande vrouw
    een zingend meisje
    een lachende man
    een werkende bediende

    3. Indirect speech.

    Hij vroeg ons : 'Hebben jullie mijn broer gezien ?'.
    Bart zei : 'Ik heb een hekel aan honden'.
    Nu zegt hij 'Ik vraag een hond voor mijn verjaardag'.
    Anneke zegt ' Ik zal daar graag wonen'.
    Ze zei 'Je mag hier blijven staan'.

    4. Add the correct adverbs into these sentences..

    vlug - Hun ploeg speelt dan wij.
    goed - Die kinderen werken op school.
    gewoon - Ik ga naar zee.
    dus - Hij zwijgt, het is waar.
    hard - Hij heeft vandaag gewerkt dan gisteren.

    5. Personal pronouns : add je, jij, jou or jouw.

    We gaan naar de zee, maar niet
    Op wie kun nog betrouwen ?
    Dat is niet mijn boek maar boek.
    Wie heeft dat gezegd ? ?
    Geef me boek.

    6. Replace with a pronominal adverb.

    Ze hebben in dat huis een pension gevestigd.
    De kat ligt onder de tafel.
    Mijn directeur spreekt vaak over politiek.
    Hij speelt met zijn treintje.
    Ik droom van de vakantie.

    7. Pronominal verbs: add zich OR elkaar.

    Kevin en ik kwamen op vakantie in Franrijk tegen.
    Peter wast niet graag.
    Als hij ziek is, voelt hij vaak slap.
    Hebben we al ontmoet ?
    Ze hebben misrekend.

    8. Infinitive clauses. Rewrite these sentences. If they are required, add TE.

    Mijn schoenen beginnen slijten.
    Ik zal proberen je iedere dag schrijven.
    Naar een film kijken is een plezier.
    Ze zit aan tafel een brief schrijven.
    Ik begin van hem houden.

    9. Rewrite these sentences to get a genitive..

    De vader van Victor wilde zijn vriend helpen.
    De moeder van Anna is ziek.
    De auto van Karel is kapot.
    Ik houd niet van de blauwe periode van Picasso.
    De schilderijen van Rubens zijn mooi.

    10. Correct these words.

    Hier spreken we nederlands.
    smorgens gingen we naar Brussel.
    Hoeveel firma zijn er in deze streek ?
    Heb je al kangoeroe gezien ?
    De financieel toestand van die banken zijn goed.









    End of the free exercise to learn Dutch: Intermediate: test II
    A free Dutch exercise to learn Dutch.
    Other Dutch exercises on the same topic : Placement tests | All our lessons and exercises


    Share : Facebook / Google+ / Twitter / ...