Learn dutch 100% free
Log in!

Click here to log in
New account
4 million accounts created!
JOIN our free club and learn for free now!

  • Home
  • Report a bug


  •  


    Learn Dutch > Dutch lessons and exercises > Dutch test #95347
    > Other Dutch exercises on the same topic: Pronouns [Change theme]
    > Similar tests: - Pronouns - Indefinite pronouns - Personal pronouns - Relative pronouns - Possessive pronouns - Personal pronouns/Pronominal adverbs - Personal pronouns-stressed - Ons / onze?
    > Double-click on words you don't understand


    Personal pronouns (subjects)


    Personal pronouns (subjects)



    Twitter Share
    Dutch exercise "Personal pronouns (subjects)" created by ilona2 with The test builder
    Click here to see the current stats of this Dutch test

    Please log in to save your progress.


    1. Marja houdt van deze paarse trui maar ze gaat die niet kopen. is vreselijk duur!

    2. De limonade is in de koelkast omdat niet genoeg fris was.

    3. In de maand april was de tuin zo mooi. Nu lijkt meer op een jungle

    4. Het is onmogelijk voor Jeroen om televisie te kijken. werkt niet goed.

    5. Het hart is het symbool van de liefde. is altijd rood.

    6. De trein komt eraan. is laat. We gaan misschien ons vliegtuig missen!

    7. Onze computer is heel oud. is kapot.

    8. Het hert dat weggelopen was, liep op de snelweg. was erg gevaarlijk voor het verkeer.

    9. Het kind huilt omdat zijn mobieltje verloren heeft.

    10. Ik ben heel tevreden met de armband die ik voor mijn verjaardag gekregen heb. is zo mooi.

    11. Om te gaan dansen draagt mevrouw Hansen het liefst haar lange jurk. is wit en zwart.

    12. Lieve heeft het laatste boek van Harry Mulisch gekocht. Is niet te mœilijk voor haar?

    13. Stijn zou graag eten in het vegetarische restaurant tegenover het stadhuis. Pech gehad! Vandaag is gesloten.

    14. De supermarktketen van Albert Heyn is heel bekend in Nederland. heeft nu ook filialen in Vlaanderen.

    15. Het huis dat we gehuurd hebben is heel gezellig. heeft uitzicht op zee.

    16. Het meisje is erg lui. wil niet naar school gaan wegens een verkoudheid.

    17. Mijn vriend werkte bij het waterschap. is erg belangrijk in Nederland.

    18. Oma heeft het laken gewassen. hangt nu aan de waslijn.

    19. Haar kinderen spelen graag op de boerderij van hun buren. is zo mooi en gezellig.

    20. Ik ga vaak naar de bibliotheek om boeken te lezen. bevindt zich op de hoek van mijn straat.









    End of the free exercise to learn Dutch: Personal pronouns (subjects)
    A free Dutch exercise to learn Dutch.
    Other Dutch exercises on the same topic : Pronouns | All our lessons and exercises


    Share : Facebook / Twitter / ...